linksContactLogin

De Haagse mart door Lucille Arends

Aangezien mijn vader een afschuw had van rituelen waren wij vrij van de tirannie van; maandag wasdag, woensdag gehakt of op vrijdag vis met peentjes.

Toch hield mijn moeder gedurende de jaren vijftig vast aan een gezamenlijk wederkerend uitje: het zaterdagse bezoek aan de “Mart” aan de Herman Costerstraat.

(foto: Haags Gemeentearchief)

Image
Na thuiskomst uit z’n werk plantte mijn vader mij voorop de stang van zijn zwarte herenrijwiel en wachtte zwijgend tot mijn moeder beneden kwam.
Gewapend met twee boodschappentassen waarin de huishoudknip met daarin de gehele inhoud van mijn vaders wekelijkse loonzakje, nam ze tevreden plaats op het bagagedrager van haar zichtbaar vermoeide eega in wiens wiel mijn zusje met de stille hoop op een rolletje faamdrop of  ijsje, dan volgzaam over de Paul Krugerlaan karde.
Aan het begin van de lange rij kramen, waartussen de voltallige Haagse bevolking zich op dat tijdstip massaal verzameld leek te hebben, zag ik mijn vader vol afgrijzen kijken.
Dat kwam niet in de laatste plaats door mijn moeder die de gewoonte had urenlang te knijpen, voelen of onderhandelen. Zodat hij, als een onwillige Haagse ooievaar springend van het ene been op het andere, voor een metertje haarlint soms een half uur moest wachten.
“Ja mooi”, bromde ie dan, om toch iets bij te dragen op mijn moeders warme, belangstellende vraag: “Hoe of ie ’t vond”.
Op een keer had ie haar tijdens zo’n knijp, strijk en voelsessie voor de aanschaf van een couponnetje boerenbont, een koopje, dat was bedoeld als valletjes voor de kastplanken, nijdig op haar geopende boodschappentas gewezen, die ze, met de portemonnaie voor ’t grijpen, in haar ijver bovenop de druk beklante kraam had gezet: ”Welja, leg de poet ook nog voor ‘t grijpen,” riep ie vol walging waarna ie zonder nog een woord te zeggen de verderop gelegen kroeg in liep.
Mijn moeder sprakeloos achterlatend.
Vanaf die tijd bliefde ze geen pottenkijkers en splitsten zich onze wegen.
Bij aankomst verdween mijn vader subiet in de richting van de rommelmarkt, waar ie op zoek ging naar een boek, fietsonderdeel of een ander attribuut om onze karige huishoudelijke inventaris mee aan te vullen om zich aan het eind van de markt pas, weer met ons te herenigen.
Maar op een gure winterse zaterdagmiddag hing er iets in de besneeuwde lucht.
Nadat mijn vader bij aankomst zonder een woord te zeggen door de blubberige sneeuw in de richting van de vlooienmarkt ploegde, sjokten mijn zusje en ik, kouwelijk blazend op onze handen, achter mijn met tassen gewapende moeder aan.
Om een stukje verderop met open mond toe te kijken hoe een standwerker vanachter een uitgeklapt tafeltje z’n wonderdoekjes aan de man bracht.
Met veel overtuigingskracht werden de stukjes textiel door de hevig spugende man aangeprezen.
Als een veldheer sprak hij zijn massaal op bontlaarsjes toegesnelde en overwegend
gehoofddoekte publiek toe, met de woorden:”Dames, ik voorspel u dat, mocht u nu weglopen zonder de aanschaf van dit product, u zult achterblijven bij uw propere vriendinnen.” Hevig geschrokken trokken de dames hun knip.
Bibberend van de kou passeerden we even later de man van de planten die vanaf de geopende klep van een vrachtwagen met schorre stem kille Nederlandse huiskamers wilde voorzien van tropische beplanting. De ene na de andere Hibiscus, metershoge ficussen en geheimzinnige varens werden voor een zacht prijsje, achter uit de donkere laadbak van zijn truck getoverd.
Voor het stenen muurtje langs de tramrails van lijn 11 stond een in grote winterjas gehulde Scheveninger, een handelaar pur sang, die met doorrookte stem kistjes moddervette, net gerookte, paling aanprees.
Niet alleen was hij de man die zomers in de duinen vanachter zijn haringkar Hollandse nieuwe en zure bommen aan de man bracht, om aan het eind van de drukke stranddag zijn kinderschaar de winst, die bestond uit een schortzak vol kwartjes, dubbeltjes en losse centen, te laten tellen. Ook wisten we dat de binnenkant van die jas vol zat met geheimen. Op een keer had ik hem na een bezoek aan mijn in Scheveningen wonende Oma, onder aansporing van een ploegje stevig aangeschoten vissers, in de Keizerstraat op zijn handen lopend een café uit zien komen en verbaasd geconstateerd dat de binnenkant van z’n jas vol hing met glimmende horloges.
Bij de kraam van Sinkel, gedreven door een klein mannetje die een bult ter grootte van een fikse knapzak op z’n scheefgegroeide rug torste, wist ik mij voor altijd bevrijd van een smartelijke gevoel.
In het verleden had de aanblik van de vergroeide, alpinodragende dwerg mij zo geraakt dat ik mijn vader een keer dringend verzocht had om bij de aanschaf van scheermesjes, van zijn karige zakgeld ook nog iets anders te kopen.” Ach, pap, pleisters, knijpers of veters misschien,” smeekte ik, inspelend op zijn vaak onverwachte vriendelijkheden. Toen de man later in een auto langs onze op instorten staande fietsen sjeesde begreep ik mijn vaders stugge weigering pas goed.

Bij de textielkraam waar mijn zusje op haar verjaardag als voorloper op de BH, haar eerste katoenen voorgevormde hemdje met kant en dunne bandjes had gekregen, bleven we giechelend kijken hoe een vijftal vervaarlijk uitziende nozems de marktvrouw, een klein donkerharige pinnig wijfie, gehoorzaam hun vuist boden voor de maat van een paar fluorescerende rock en roll sokken.
Voor café Markzicht, waar Max van Praag’s: “Daar zijn de appeltjes van oranje weer,” uit de jukebox schalde, keken we kleumend toe hoe aangeschoten
marktkoopmannen met blauw dooraderde koppen slempend om de gloeiende kachel gegroepeerd zaten.
Volkomen onbewust van onontdekte kunstenaars, wier schilderwerk in een hal naast de kroeg was uitgestald. Menig Haags gezin kocht er een Heidezicht met schaapjes, Italiaanse schone of een oosterse Sawa, die de vreselijke zwart grijze Kantjil hertjes, van Indra Karmajojo, een televisiepersoonlijkheid van het eerste uur, eindelijk verdreven.
Trappelend van de kou wachtten we voor de kraam van de in klederdracht gehulde Spakenburgers, tot mijn moeder haar bestelling plaatste:
“Een donker roggebrood en twee zakken koekbreuk,” somde ze op, terwijl wij ondertussen gefascineerd toekeken hoe de gouden spelden van de spierwitte hoofdkapjes zich in de strakgetrokken Spakenburgse voorhoofden boorden.
Bij de kaasboer vroeg mijn moeder in plaats van kaas per kilo, om kaaskontjes.
“Voor in de macaroni”, benadrukte ze met een verontschuldigend lachje.
Dat was een leugen wisten we, want na schooltijd schraapten mijn zusje en ik de laatste restjes kaas met onze tanden gulzig van de korsten.
“Bloedsinaasappels,” schreeuwde de verkoper van de groenten kraam terwijl ie ons als  een goochelaar grijnzend de bloedrood gevlekte inhoud van een doormidden gesneden sinaasappel voorhield.
Behalve buikzieke peren met een plekje en tien kilo eigenheimers, verdwenen vervolgens knolraap, raapsteeltjes en struiken stugge andijvie in mijn moeders uitpuilende boodschappentassen.
“Wie maakt me los”, riep de op weggaan staande bloemenman dramatisch.
Zonder op antwoord te wachten duwde ie de: “Drie, vier, vijf  bossen, voor de prijs van één mevrouwtje,” in onze overvolle armen.
Terwijl mijn moeder op haar gemakkie nog even terugliep om bij de kousenkraam een paar vergeten nylons met naad - maat negen - te halen, wankelden wij vast in de richting van de fietsen en zagen tussen de menigte het gekwelde gezicht van mijn vader opdoemen die onder het schijnsel van een lantarenpaal al kouwelijk springend, op ons stond wachtte.
Met de zware tassen vervaarlijk zwaaiend aan het bevroren stuur, en mijn kreten slakende moeder - 'Kijk uit een auto' -  als een stuurman achterop, fietsten we een uur later pas, als verkleumde pakezels de donkere Herman Costerstraat door, op weg naar het politiebureau Van der Vennestraat, waar mijn moeder verslagen het verlies van haar portemonnaie aangaf bij de brigadier van politie.

”Dat was verdomme de allerlaatste keer,” siste mijn vader voor ie, uitgeleide gedaan door een begripvolle agent, voor de deur van het bureau met een zwaai op zijn fiets sprong.
Opgelucht lachend keken mijn zusje en ik elkaar aan.
Rituelen: als je mazzel hebt, gaan ze vanzelf voorbij.

Lucy Naberman, schrijf bij voorkeur onder de naam: Lucille Arends(naam van mijn moeder)

Laatst bijgewerkt op ( Friday 09 March 2007 )
Reageer!

Er is nog geen reactie op dit stuk



Pagina 1 of 0 ( 0 Reageer! )

Start arrow Activiteiten arrow Verhalen arrow De Haagse mart door Lucille Arends